Een meeuw krijste.
Ik haastte me het café in. Achter de Ruygrok-bar scharrelde een dametje in een zwart schort rond. Veel had ze niet te doen; slechts één tafeltje was bezet.
‘Goedemorgen,’ zei ze overdreven luid. ‘Wat kan ik voor u inschenken?’
Als ik niet beter wist, dacht ik dat ik achterlijk was. Dat denk ik sinds ik een kind heb. De imbeciele nieuwsbrieven, tijdschriften en Google Adwords vliegen mij om de oren. Vrouwen die moeder worden, verliezen en passant een IQ-punt of vijftig – dat lijkt de heersende opvatting. Meestal lukt het me die onzin te negeren, maar soms dringt de idiotie zich aan me op.
Nu de linnen jurkjes en mouwloze rompertjes eindelijk de hoogste kast in kunnen, ga ik er weer aan. Aan het schrijven, het échte schrijven. Ik maakte er de laatste maanden geen tijd voor, druk als ik was met geld verdienen. Opdrachten landden op mijn schoot als goudomrande herfstbladeren, en ik zei ja.
Sarah gaat een maand weg en ze bakte mij een cake. Ik weet niet zo goed wat het verband tussen die twee zinsdelen is, vandaar dat flauwe ‘en’. Mijn vermoeden: de oppas van mijn dochter bakte die cake omdát ze weggaat. “Voordat ik vertrek,” zei ze na haar laatste oppasbeurt, “kom ik nog even een zelfgemaakte cake brengen.”